Het zijn net mensen (Joris Luyendijk)

Het houdt me al een tijdje bezig. Sinds ik ooit gehoord heb van een experiment waar tussen verschillende soorten scenes door (spelende kinderen, huilende vrouwen, dieren, gruwelijke scenes), steeds hetzelfde shot van het hoofd van een man werd getoond. Zo werd de suggestie opgeroepen dat die man steeds reageerde op wat de kijker net gezien had. De kijkers vonden de acteur ongelooflijk goed, hoe hij met zo weinig expressie toch verschillende emoties kon uitdrukken. Wat er eigenlijk gebeurde, is dat de kijker vanuit de context zelf een verhaal ging toekennen. We zijn zo gespitst op verbanden, dat de verschillende beelden automatisch door een kijker verbonden worden.
De eerste bewuste toepassing die ik daarvan gezien heb, zijn de beelden van de juichende palestijnen op 11 september 2001. Die beelden waren totaal niet gerelateerd aan de Twin Towers, maar doordat ze in hetzelfde nieuws werden getoond, werd wel die indruk gewekt. De kracht van het beeld is enorm. Ik heb ooit een tentoonstelling en bijhorende voordracht gezien rond de verkleutering van de media. Het tv-medium dat geen diepgang meer toelaat, en de boodschap moet dus in 1 zin, liefst nog 1 woord te vatten zijn, en 1 beeld. Dus moet de boodschap ongelooflijk simpel en direct zijn, om nog de gemiddelde kijker te boeien, tussen de reclame-blokken door. Jammer genoeg gaat er zo erg veel diepgang verloren. En tegelijkertijd ben je totaal afhankelijk van wat er getoond wordt, krijg je nooit een volledig beeld, en ben je dus erg vatbaar voor “misleidende beelden”.
Zoals het bovenvermelde beeld. Of de Amerikaanse media die massaal een soort angst-psychose creeren zoals vermeld in Bowling for Columbine door bijvoorbeeld alleen gekleurde misdadigers te tonen (wat zelf niet totaal onschuldig was op t gebied van misleiding en beperkte context). In beelden kan je dus heel gemakkelijk een heel geloofwaardig verhaal vertellen op erg korte tijd. En misschien is vooral wat er niet getoond wordt belangrijk.

In dit informatie-tijdperk is het enigszins bevreemdend dat, hoewel bijna alle informatie vrij te krijgen is op het internet, tegelijkertijd niemand de tijd neemt of mag nemen om verhalen in hun volle diepgang te brengen. Zo heel vreemd is dat niet, natuurlijk, aangezien er steeds meer nieuws is, onze wereld steeds groter wordt, en dat het dus nog belangrijker wordt om eenvoudige categoriën aan te brengen, om die wereld beheersbaar te houden. Dus gaat het heel gemakkelijk van alle terroristen zijn moslims, naar alle moslims zijn terroristen. Simpel toch. Maar o zo gevaarlijk.

Joris Luyendijk was van 1998 tot 2003 correspondent vanuit het Midden-Oosten. Zijn verhaal is enerzijds ontluisterend, een inside-look, hoe het nieuws gemaakt wordt. Hoe het gestuurd wordt, en hoe klein zijn invloed daarin is, zelfs als correspondent. Hij ontkracht een hele hoop veronderstellingen.
Het nieuws blijkt vooral gemaakt te worden door de nieuwsagentschappen, en de journalisten ter plaatse zorgen enkel voor de lokale kleur, of het verslag ter plaatse (wat niet meer wil zeggen, in het slechtste geval, dan dat zij het voorlezen of overtypen).

Hij geeft aan hoe gemakkelijk ons beeld gekleurd wordt, enerzijds door het woordgebruik, dat reeds een mening insinueert (terroristen versus vrijheidsstrijders bijvoorbeeld). Hij geeft aan hoe moeilijk het is om aan goede berichtgeving te voeren in een dictatuur, omdat informatie macht is.
Hij geeft daar enkele zeer goede en frappante voorbeelden van. In de strijd tussen Israël en Palestina heeft Israël de beste opvang voor de journalisten, de verhalen, de foto’s, de getuigenverklaringen, alles is te krijgen in een bundeltje, met telefoonnummers erbij als het ware. Als de Israëlieten een bombardement uitvoeren, verontschuldigen ze zich (maar doen niets meer). De Palestijnen leven onder een dictatuur. De arabieren mogen vanuit hun cultuur geen zwakte tonen.
Er was een goede pers-verantwoordelijke bij de Palestijnen, maar van het ogenblik dat die populairder dreigt te worden dan de dictator zelf, neemt die uit zelfbehoud maatregelen, en verkiezen die liever een handpop die hun lof zingt. Hetzelfde voorbeeld bij Irakezen, bij de derde golfoorlog, waar de woordvoerder soms zo belachelijke propaganda voerde, in plaats van eerlijke berichten te geven. Hij moet alleen dienen ter meerdere lof en glorie voor de dictator, Saddam Hoessein, himself.
Op dezelfde manier zijn in dictaturen geen opinie-peilingen voorhanden, kan je op straat geen eerlijke mening van een burger vragen, aangezien overal geheime politie rondloopt en mensen met een mogelijke subversieve mening zo de gevangenis in worden gegooid. Dus als journalist zijn in een dergelijk land je handen gebonden. Je kan niets meer dan brengen wat de nieuwsagentschappen zeggen dat het nieuws is.

De onvrede bij Joris Luyendijk groeide meer en meer, naarmate hij langer correspondent was, omdat het beeld dat er van de moslims of arabieren getoond werd helemaal niet overeen kwam met het beeld dat hij zag, dat hij ervaarde in de straat.

Waar Joris Luyendijk in dit boek heel mooi in slaagt, is de bel doorprikken. De illusie van een integere berichtgeving. Iedereen doet zijn best, maar toch wordt het gekleurd. Hij toont de andere kant, de grappende moslims, de eigenspot van de Israeliëten, de menselijke kant. De grootste verdienste nog, vind ik, is dat Joris Luyendijk geen kant kiest, maar van elke kant een eerlijkere berichtgeving toont. Hij toont ons het grotere kader. Het kader dat hij zo graag als journalist had willen brengen, maar waar hij door het medium nooit de tijd en ruimte voor kreeg. Zeker op tv niet. In de geschreven pers heeft hij af en toe opinie-stukken geschreven, maar de kracht van het beeld is onverwoestbaar. Als je een aan stukken gereten bus ziet, met huilende familieleden er rond, maakt het niet meer uit wat een journalist net vertelt, je kan in eenzelfde sprekend beeld, in eenzelfde tijdspanne, niet de vernedering laten voelen die Palestijnen dag in dag uit ervaren, de machteloosheid. Waar Joris Luyendijk absoluut niets goedpraat of goedkeurt, maar waar hij een iets eerlijkere belichting tracht te geven. Tegelijkertijd beschrijft hij ook hoe de Palestijnen, als de camera niet rolt, wel degelijk huilen om hun zonen en dochters, en het onbegrip bij de Palestijnen zelf.

Wat ik me na het lezen van dit boek vooral afvraag is hoe je dat kan oplossen? Hoe kan je als integere journalist integer nieuws brengen? Het leven is niet zwart/wit, en is niet te vatten in een nieuws-item van 30seconden. Hoeveel zinnen kan je zeggen in 30seconden? Hoeveel in een minuut? Hoe kan je een situatie uitleggen die over verschillende jaren gegroeid is. Als een Ier naar nieuws kijkt over Belgie, denkt hij dan dat wij ook in een burgeroorlog leven? Ik kijk niet meer naar het nieuws, en ik lees geen krant meer. Ik weet niet meer wat ik kan geloven. Als Amerika een oorlog kan voeren met een land, waarvan iedereen weet dat de VSA nooit de juiste reden heeft gegeven van die oorlog, waarom mag dat dan nog steeds.

Wat is het doel van het nieuws eigenlijk? Het nieuws brengt alleen de feiten, zodat je op de hoogte bent van wat er in de wereld gebeurt. Feit is dat het nieuws tot amusement is vervallen, en dat het niet meer uitmaakt of de feiten die gebracht al dan niet correct zijn. Het nieuws correct brengen is onmogelijk in de ruimte die er voor de verschillende items wordt gemaakt. Wij kunnen ook niet alles begrijpen. Dus wordt er een soort synopsis gemaakt, wordt er een keuze gemaakt, wat belangrijk is en wat niet (nieuwswaardig). Tegelijkertijd moet het nieuws makkelijk, hapklaar, en liefst nog spectaculair zijn, niet? Want dat geeft meer kijkers. Ik mis de duiding, de diepgang. Die ik gelukkig in boeken wel kan terugvinden. Zoals deze.

Bijster

Hoe onze relatie was? Ik weet niet hoe ik dat het beste kan omschrijven. Ik denk dat je het kan vergelijken met ganzen als ze uit hun ei komen. Het eerste levende wezen dat ze zien is voor hun hun moeder, en die volgen ze overal naar toe. Zelfs al is dat wezen een kat of een jong meisje.
Op de een of andere manier was ik de eerste denk ik, die haar een beetje normaal behandelde. Ik denk dat ik gewoon vriendelijk was. Maar vanaf dat moment zag zij in mij alleen nog maar de reddingsboei, de prins op het witte paard. Ze was aanhankelijk, vasthoudend, onderdanig. Ze deed alles voor me. Ik kon niets fout doen. Ze was onvoorwaardelijk.

Het was ondraaglijk. In het begin was het nog leuk, flatterend, maar het ging alle proportie te buiten. Ze aanbad me. Ik deed niks speciaals. Ik begon me ongelooflijk aan haar te ergeren. Het was sterker dan mezelf. Ik weet waar ze vandaan komt, dat kan het verklaren, maar het was niet normaal. Ik begon haar te vernederen. Daar had ze geen probleem mee. Ze was dat gewoon? Als ik terug kijk kan ik dat allemaal een beetje beter plaatsen. Maar toen irriteerde het me mateloos. Ze maakte het nog erger. Ik begon met schelden, dingen gooien. Maar ze bleef onverzettelijk. Ik kon zien dat ze bang werd, maar ze bleef steeds terugkomen. Ze bleef vragen wat ze kon doen. Ze bleef zo … Toen heb ik haar voor het eerst pijn gedaan. Ik wou dat het stopte, maar het stopte niet. Het escaleerde. Soms ging het goed. Was alles rustig. Maar ik was zo prikkelbaar, een verkeerd gebaar of woord en ik ging volledig uit mijn dak. Je zou verwachten dat iemand dan leert, dat ze dan leert dat ze weg moest blijven, weg van mij. Ik wou haar niet meer. Maar ze is nooit weggegaan. Ze wou nooit weggaan. Ze zei dat het voorbestemd was, edelachtbare. Voorbestemd. Dat ze haar hele leven met mij moest delen. Haar hele leven, dat zei ze letterlijk. Dus toen heb ik dat voor haar tot waarheid gemaakt. Ik kon niet anders meer. Ik moest.

Achillles

Sommige dingen kan je nooit voorzien. Hoewel dat net was waarmee hij zijn geld verdiende. Steeds de anderen een stapje voor zijn. Misleiden. Dat klonk beter dan oplichten.
Hij werkte altijd volgens een vast stramien. Hij gebruikte zijn looks, op de een of andere manier was hij zich daar al van jongsafaan bewust van, en leerde daar al snel erg goed gebruik van te maken.

Zo had hij ook haar leren kennen. Slachtoffer 263. Hij had een paar vaste plaatsen waar hij mensen leerde kennen. Bars in hotels, waar eenzame zakenvrouwen overnachtten. Als ze er langer dan vier nachten bleven, dan had hij een kans. Empirisch vastgesteld. Soms kon het sneller gaan, soms duurde het langer, maar tegenwoordig ging hij alleen nog verder als ze minimaal vier dagen bleven. Zo nodig hoefde het tegenwoordig allemaal niet meer. Hij had al meermalen een grote slag kunnen slaan, en goede beleggingen deden de rest. Hij deed het nu vooral de kicks. Om te kijken of hij het nog kon. Om die rush te kunnen voelen.

Misschien had het ook te maken met eenzaamheid. In zijn leven had hij niet veel vrienden, laat staan een levensgezellin. Hij was een overlever. Zijn insteek als hij nieuwe mensen leerde kennen was steeds: hoeveel geld kan ik hieruit slaan. Hij was er meestal nog erg goed in.

Sarah, slachtoffer 263, verbleef in het hotel omdat ze ter plekke mede een beurs organiseerde. Pas te laat vernam hij dat ze ook in dezelfde stad woonde, wat de dingen compliceerde, maar toen zat hij er al te diep in. Dacht hij.
Ze was een erg succesvolle zakenvrouw, een paar jonger dan hijzelf, 38, en twee jaar geleden gescheiden. Geen kinderen. Veel geld, en niets om het aan uit te geven. In een paar dagen wist hij haar vertrouwen te winnen. Heel erg moeilijk was dat niet. Voor hem. Zij was weliswaar eenzaam, maar tegelijkertijd ook erg op haar hoede. Hij kon zich voorstellen dat ze in het dagelijkse leven een harde tante was. Maar in de late uurtjes, in de bar, na een zware beurs-dag, met een gepaste hoeveelheid alcohol, was ze veel toegankelijker. Hij wist de juiste dingen te zeggen, de juiste vragen te stellen, belangstelling te tonen, af en toe aanraken, op de juiste momenten. Niet te lang, om niet als storend of aanstootgevend over te komen. Maar voldoende om contact te maken. Dat bleek erg effectief. Hij deed dit al voor hij ooit van NLP of ankeren had gehoord, maar sindsdien deed hij het nog bewuster.
Meestal neukten ze ook. Dat hoefde niet altijd. Maar als het gebeurde was het natuurlijk altijd een plus. Soms kon het ook tegenvallen. Soms wilden ze hem niet meer zien, na de eerste keer. Maar meestal konden ze hem toch niet ontwijken. In het hotel. De seks zorgde voor een soort extra binding, en een schuldgevoel, een soort hefboom die hij op verschillende manieren kon gebruiken.

De vierde nacht meestal, als de vertrouwensband groot genoeg was, pretendeerde hij ergens over in te zitten. Hij zou niets zeggen, doen alsof hij niets wilde zeggen, ze daarmee niet lastig mocht vallen, het hun problemen niet waren. Zo ook die vierde nacht met Sarah. Ze hadden net heerlijk geneukt. Neuken? Het woord voelde te min. Maar hij was hier op een missie. Dus toen ze zaten na te genieten, rechtop in bed, zij rookte, hij sipte aan een drankje, versomberde hij. Hij zei niets meer. Zij vroeg dan, natuurlijk, wat er was. En hij zei, natuurlijk, niets. Niets ernstigs. Nothing to worry your pretty little head about, zei hij, al grappend. Maar zij drong aan, natuurlijk. En hij vertelde het, natuurlijk, dat hij geld nodig had, een investering die niet mis kon gaan, quick return, aandelen, hij wist altijd wel iets, en hij wist het altijd goed te brengen. En meestal gingen ze ervoor. Ze gingen ervoor omdat hij knap was, omdat ze vonden dat hij het verdiende, dat hij het waard was, omdat ze hoopten dat hij zou blijven, dat ze hem konden kopen. Maakt niet uit waarom ze het deden, maar hij kon altijd achterhalen wat zou werken, en drukte dan op de juiste knopjes. Daar was hij goed in.

Wat Sarah toen deed, was niet ongewoon. Ze nam een blocnote, en een pen, en ze wou alles nog eens overlopen. Dat vond hij een goed idee, dat duidde op bereidwilligheid, ze was al half gewonnen.

Maar toen zag hij haar pen. Een Sheaffer. Hij keek verbaasd. Hij zei dat hij dat een zeer speciale pen vond. Zij vertelde dat het een kalligrafie-pen was. Dat was haar hobby, die ze nu steeds meer en meer toepaste op de meest alledaagse dingen, als lijstjes, overzichtjes en rapporten. Anders had ze er toch geen tijd meer voor. Zo kon ze werk en hobby combineren. Ze hield van mooie dingen. Van schoonschrift. Ze articuleerde het woord met nadruk. Hij stond als aan de grond genageld. Toen ze vroeg om verder te gaan, met het lijstje, de investering, weet je wel, gaf hij haar een enorme zoen op de mond, en zei dat hij moest gaan. Nog een dringende afspraak. Dat hij haar nog wel ging bellen. Hij liep naar buiten. Naar huis.

Thuis nam hij zijn schrift en zocht de bladzijde met haar naam. Hij overliep even alle dingen die hij had opgeschreven. Kleine dingen, tips. Dan nam hij zijn Schaeffer-pen, doopte die in de bruine inkt. Hij maakte een grote, sierlijke krul, als afscheiding, en schreef dan haar woord. Schoonschrift. Groot, en zo mooi hij maar kon. Wat een vrouw.

Alledaags

onverwacht overspoeld
gelukzalig, je te zien
tandenpoetsen

Besef

je kan pas verder
als je wat je allang weet
ook durft te voelen

Kabouterdorpje

PA135052
PA135059
PA135060
PA135062

Droomvanger #2

Zondag. Dochterlief is opgehaald door haar mama. Ik sta te staren voor het raam naar buiten. De verkleurende bladeren, de blauwe frisse lucht, de zon die warm is maar niet echt verwarmt. Het is weer volop herfst. Buiten hangen spinnenwebben, gesponnen door grote kruisspinnen. Ze lijken elk jaar wel groter te worden. Elke dag spinnen ze onvermoeibaar weer hun web. Ik zie hoe de spin over de draden loopt, en het web steeds fijner maakt. Het heeft iets kunstigs, hypnotiserend.
Kruisspinnen zijn een beetje vreselijk angstaanjagend, creepy en tegelijkertijd ook machtig mooi. Vooral achter glas.

P9214972

Ik denk aan ongeveer dezelfde tijd twee jaar geleden, en hoe mijn leven nu helemaal anders is. Ik denk aan mijn pracht-dochter, aan haar moeder en haar nieuwe vriend, en aan een jongen die nu ergens zijn eerste verjaardag viert. Misschien leren we mekaar nog kennen. Ik denk aan de vrienden die ik verwaarloos. Ik denk aan mijn ouders, en mijn broer. Hoe moeilijk ik het enerzijds heb met de gegroeide afstand, en hoe goed ik me tegelijkertijd voel nu. Dan komt zij, slaat haar armen om me heen, en vraagt waar ik allemaal aan denk. En ik vertel. Ik kan haar alles vertellen. Zij vertelt me ook alles. We delen onze twijfels, en problemen, en we komen er samen uit.

Goed begonnen

Ik wurm me uit bed. Moeilijk. Douchen. Wakker worden. Bedenken dat het brood op is. Balen. Mezelf toch kunnen overtuigen om naar de bakker te gaan. Ik open de poort, duw mijn fiets buiten, en de buurvrouw stapt naar haar auto. Ik wuif en ze wuift terug. “Goedemorgen!”, denk ik, en voel me al een beetje beter. Ik draai me richting bakker, en wil net op de fiets stappen, als ik voor mijn voordeur een oud dametje zie staan met haar kleine hondje. Ze lijkt te verstarren. Ik glimlach, en wens haar een goedemorgen, en dan breekt er traag een glimlach door op haar gezicht. Ik heb haar al meermaals gezien, en toch lijkt ze me steeds wat vreesachtig aan te staren. En nee, volgens mij kan dat niets te maken hebben met hoe ik er ’s morgens uitzie. Volgens mij heeft het te maken met de verregaande individualisering van de maatschappij :)
Een paar minuten later, sta ik met lekker ruikend vers brood voor de poort, komt er een vrouw op me toegelopen. Als ik dat opschrijf, moet ik spontaan denken aan de Fa-reclames van lang geleden, maar zo zag ze er helemaal niet uit, er is trouwens spijtig genoeg ook helemaal geen branding voor mijn deur. Zij was al ouder, en me totaal onbekend. Maar toch stapt ze echt gedecideerd op me af, dus ik denk dat ze de weg of iets dergelijks komt vragen. Maar ze vraagt of ik haar nieuwe buurman ben. Dat lijkt een enigszins rare vraag, aangezien ze kan zien welk huis ik binnenga, en nog vreemder aangezien ik er al veel langer woon, al kun je dat natuurlijk niet zien. Maar aangezien er al een paar weken volop gewerkt wordt aan ons linker-buurhuis, vermoedde ik dat ze natuurlijk bedoelde dat zij mijn nieuwe buurvrouw zou worden. Dat bevestigde ze enthousiast, en ze verzekerde me nog dat ik aan haar goede buren zou hebben. Als ze het zelf zegt, zal het wel goed zitten.

Maar wat ik dus wou zeggen : wat is vers brood, als het zo nog net een beetje warm is, toch erg lekker.

Gevonden

Ze bestaan nog, innoverende nieuwe en simpele uitvindingen : Gumnasbag, een mini-vuilbak/asbak voor onderweg. Nooit meer op zoek naar een asbak. Geen excuus meer voor al die peuken op de grond. Hoewel ik me moeilijk kan voorstellen dat iemand het een aantrekkelijk idee vindt, om met een asbak in je broek of handtas rond te lopen. Hoewel je in Rotterdam beboet kunt worden als je een sigarettenpeuk op de grond gooit. Zesenveertig euro ? Heeft de politie niets belangrijker te doen ? Deel dan die gumnasbagjes massaal uit. Zorg voor asbakken overal.

houten fiets

Echt prachtig : houten fietsen, handgemaakt door Jan Gunneweg. Je moet natuurlijk wel een beetje fietsliefhebber zijn, en van hout houden, en … veel geld hebben. Maar kijken kost gelukkig niets.

In Belgie zijn onlangs de voorrangsregels gewijzigd. Het voornaamste dat ik me herinner is dat als je stopt, je je voorrang niet verliest. Maar is dat alles ? Dus ik vond het erg interessant dat er een gelegenheid wordt geboden om je kennis van de voorrangsregels te testen. En als doorgaans zwakke weggebruiker, draag ik graag mijn steentje bij tot de verspreiding van deze kennis. Klik hier!

Sonar

Hij legde zijn oor te luisteren tegen de deur. Hij hoorde niets. Al vijftien minuten niets. Hij speurde naar een teken van leven. Hij had de jongen van de tweede verdieping horen thuiskomen, sjouwend met zijn tassen inkopen, zoals elke woensdag. Hij had gehoord dat hij een fles had laten vallen. Hij had hem horen koken, hij had muziek gedraaid, en daar was het nu al een uur stil. Die lag waarschijnlijk onder de wol.
Het meisje van de gelijkvloers had bezoek gekregen. Een jongen, hij had zijn stem gehoord, had ze horen praten, en hoe ze samen kort, maar intens genoten. Nu was het ook daar stil. Hij wist niet of ze in slaap waren gevallen, of uithijgend, of … maar hij hoorde toch niets meer. Al vijftien minuten. Zou hij het erop wagen ?

Hij besloot nog te wachten. Beter het zekere voor het onzekere nemen.

Hij stond in de hal van zijn appartement. Ging terug naar zijn stoel. Het huis was nogal gehorig. De andere ruimtes had hij laten isoleren, zodat er geen geluid van buiten kon binnendringen. De ramen, die het geluid het slechtst isoleerden, had hij volledig dicht laten maken. Hij had toch geen licht nodig. Extra verluchting kwam via een luchtpijp naar het dak.

Hij wachtte nog een half uur. Toen waagde hij het erop. Hij deed zijn jas aan, nam zijn sleutels, stapte de traphal in, sloot zijn deur, en liet dan de stilte weerkeren.
Hij kende het hier blindelings, maar toch liet hij de ruimte spreken. Er was niets nieuws, niets veranderd. Hij wandelde zacht, behoedzaam. Hij wou niemand wekken.

Behoedzaam daalde hij de trap af, ontweek de krakende tree, stapte buiten, sloot de voordeur zachtjes, draaide zich naar de straat en bleef stilstaan, open voor alle indrukken die op hem afkwamen. Hij voelde een briesje, op zijn gezicht, trok zijn jas dicht. Frisser dan hij had verwacht. Hij hoorde de wind door de straat, tussen de huizen, door, zachtjes. Hij hoorde de verlichting zoemen. Hij hoorde de bladeren ritselen, die op de grond lagen. Het werd weer herfst. Hij hoorde de afstand tussen de huizen. In de verte hoorde hij de autosnelweg brommen, maar het deerde niet. De straat was verlaten. Stil. Iedereen sliep. Hij proefde de frisse lucht.

Hij voelde zich weer herademen. Dit deed deugd. Tegelijkertijd voelde hij ook de drempelvrees weer. De vrees om zijn drempel te verlaten. De vorige avonden had hij zo tien minuten staan wachten, en was dan weer naar binnen gegaan. Maar nu was het stil genoeg. Hij was rustig genoeg. Hij kon de hele omgeving aanvoelen. Hij herkende, of zo voelde dat toch. Hij zette een eerste voorzichte stap op de stoep. En nog een. En nog een. De voeten voorzichtig schuifelend. Opletten voor oneffenheden. Met al zijn werkende zintuigen probeerde hij een beeld te vormen. Feel the force. Hij dacht de afstand tot de muren te horen, het geluid van zijn stappen weerkaatste. Toen de echo plots bijna wegviel, voelde hij ook hoe de lucht anders aanvoelde op zijn huid, en zo wist dat hij aan het kruispunt was aangekomen. Hij hoorde niets. Geen verkeer. Zou hij het erop wagen ?

Het was al zo lang geleden dat hij zo ver alleen had gewandeld. Het voelde als een overwinning. Het voelde als een nederlaag. Waarom moest het zoveel moeite kosten? Hij werd panisch bij de gedachte alleen de straat op te moeten, tussen een mensenmassa door te wurmen. Hij kon het alleen ’s nachts. Als de straat verlaten was. Als er geen geluid was dat hem kon afleiden. Hij had de stilte nodig om zich een beeld te kunnen vormen. Om te zien. Sinds het ongeluk. Meer dan een jaar geleden. Het leek zo lang te duren voor hij een soort onafhankelijkheid kon herwinnen. Voor hij zich had aangepast. Dat moest toch kunnen. Hij probeerde te oefenen. Maar hij werd er alleen maar moedeloos van.

Vandaag voelde als een overwinning, maar hij was maar tot aan de hoek van de straat gewandeld. Twee huizen verder. En meer durfde hij al niet meer.

Even liet hij de paniek, de angst binnen, telde tot vijf, en kwam weer tot rust. Hij had niet bewogen, en plots voelde hij het kruispunt. Hij voelde het, zoals hij het vroeger had kunnen zien. Hij moest vertrouwen op wat hij voelde, en niet telkens proberen te koppelen aan “beelden”. Hij voelde dat er iets veranderd was. Dat winkeltje aan de overkant, dat voelde anders. Dat moest hij morgen vragen, aan het meisje dat altijd de inkopen voor hem deed.

Gekraakt

De vloer kraakt. Sinds kort. Hij kraakt, en het irriteert me. Elke beweging die ik nu maak, in die specifieke hoek, is nu hoorbaar door het hele huis. Hij kraakt, en het lijkt een voorbode voor een nakend verval.

Waarom blijft de vloer niet zoals hij was ? Alles paste netjes, glad, schoon.

Maar hout leeft. Het huis leeft. Het doet zijn eigen ding. Het luistert niet naar mij, houdt geen rekening met mij. Het leeft. Verkies ik dan liever iets doods, dat perfect doet wat ik wil ?

Een oud huis, met krakende houten vloeren heeft altijd zoveel charme, en het is net dat wat ik ook wil. Toch irriteert het gekraak me.

Is het omdat ikzelf ook begin te kraken ? Mijn hoofd kraakt. Het lijkt de voorbode van een nakend verval. Beslissingen en daden die vroeger zo vanzelfsprekend waren, doen me alleen maar kraken.

Is het iets dat ik nu pas begin te horen, nu ik een aantal dingen gewoon beter in mezelf herken. Die ik vroeger gemakkelijker kon wegvegen, onder het tapijt. En misschien is nu het tapijt weg ?

Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik mezelf kan veranderen. Maar het kraakt. Het kraakt.
Kraakt het echt ? Of ben je gewoon bang om te barsten ? Moet je barsten om te groeien ? Moet je buigen ?

Misschien heb ik al genoeg gebogen. Laat het maar kraken.

Verder

Zij slaapt. Nu. Ik hoor het aan haar adem. Ik voel het door haar spieren die verslappen, hoe ze zwaar in mijn armen ligt. Ze slaapt.

Ik denk na. Veel stof om over na te denken.

Vroeger altijd gedacht dat ik wel alleen kon leven. Het ging wel. Maar samenleven leek me ook niet meer te lukken. Ik dacht dat het iets in mij was.

Ik zoek, ik zoek mezelf. En dan vind ik me. Bij jou. Jij helpt me vinden. Jij bent mijn spiegel. Je stelt de goede vragen, en brengt het op de goede manier. Ik wil ook groeien.

Begin nog eens, schrijf. Over jezelf. Je kan het. Ik wil het. Ik wil vertellen. Ik wil ordenen. Ik wil voelen. Ik ben murwgeslagen door indrukken. Diepgaande gesprekken, die mijn fundamenten wegslaan of in vraag stellen.
Op zoek naar zelfkennis, naar inzicht, heb je soms een spiegel nodig die meer toont dan je wil zien. Dat deed zij. Door me de goede vragen te stellen. Door dingen te herhalen, te benadrukken, die ik net ervoor zelf zei. Zonder dat ik de diepere betekenis vatte. Raar hoeveel je over jezelf weet of prijsgeeft zonder het zelf te beseffen. Raar hoe je jezelf voor de gek kan houden.
Het is verrassend en leuk hoe zij dat kader kan scheppen.

Nadenken. Doordenken. Diep. Wat gaat er in mij om. In mij. Waarom steeds in mij? Waarom gaat het steeds om mij? Ik kan mezelf niet bevatten. Zij ziet zo door me heen, en toont me wat zij ziet. Niet zoals een spiegel, waarin ik alleen zie wat ik wil zien. Zij toont me haar beeld van mij. Waar dat beeld anders is dan het mijne, lijkt het me lelijk. Ik wil dat lelijke niet zien, ik wil dat wegstoppen, ik wil doen alsof het er niet is. Alsof ik niet goed genoeg ben als een “heel” persoon. Verstop het. Ik wil alleen de goede kanten tonen. Maar ik heb ze evengoed: de schaduwen en de schimmen. Ik weet niet goed vanwaar die drang komt om “goed” te willen zijn, vanwaar dat geloof komt, in mezelf, zonder dat ooit op enigerlei noemenswaardige manier bewezen te hebben. Ik moet niks doen, want ik kan het toch, als ik maar mijn best zou doen, maar … en dan kan ik mijn creativiteit loslaten op het bedenken van allerlei excuses die dat falen verklaren (ik kan zoveel, ik kan niet kiezen), die mijn ontevredenheid bevestigen, maar die de basis volledig links laten liggen. Waarom kan ik de dingen niet gewoon doen omdat ik ze leuk vind ? Waarom moet er altijd een resultaat of doel aan gekoppeld zijn ? Wie wil ik overtuigen ?

Het antwoord schreeuwt oorverdovend in mijn oren, en ik wil het niet horen.

Ik moet me losmaken van mijn eigen verwachtingen. Ik hoef niks te verwachten, ik hoef niks te bewijzen. Ik wil gewoon zijn, en genieten. Gewoon genieten. Zo zal ik groeien en evolueren.

Ik wil gewoon dingen kunnen doen, zonder dat het voor mezelf een andere waarde heeft dan het plezier om iets te maken. Geen geld, geen eer, geen erkenning hoef ik te behalen.

Ik wil niet puur hedonistisch dingen doen, zoals in leeg plezier, maar eerder dingen die me rust bieden, die me de kans geven de wereld te zien als een mooiere plaats, scheppen op een niet-materiele manier. Zoals tibetaanse monniken zand-mandala’s maken die vervliegen in de wind. Waar het scheppen het doel is, en niet de schepping.

Het logische gevolg zou zijn dit log volledig af te schaffen. Waarom zou ik, als ik de dingen alleen voor mezelf wil doen, als ik dat los wil zien van het materiele, van een resultaat, van een mogelijke erkenning of waardering, dit toch nog tonen.
Maar tegelijkertijd is het net andersom. Ik voel me geremd om dingen te tonen, om af te gaan.
Het lijkt volstrekt paradoxaal, en ik ben er zelf nog helemaal niet uit.

Ik merk dat de hoge verwachtingen die ik aan mezelf stel, gekoppeld aan een onverwoestbaar geloof dat ik een zulk potentieel bezit dat ik alles kan waar ik mijn schouders onder wil zetten, me verlammen. Als alles wat ik maak, moet bevestigen hoe goed ik wel ben, kan dat alleen maar falen. Ofwel is mijn smaak niet goed (want ik kies wat ik goed genoeg vind), ofwel ben ik gewoon bijlange niet zo goed als ik zou willen zijn.

Maar ik vind schrijven leuk. Ik vind nadenken leuk. Ik vind dingen verzinnen leuk. Ik vind dingen verwoorden op een niet evidente maar begrijpbare manier leuk. Als ik het leuk vind om te doen, dan mag ik het toch ook tonen ? En u vindt er maar het uwe van. Dat neemt niet weg dat ik het leuk vind om te doen. Dat zegt niets over eender welke mogelijke “waarde”. Het is niets waard, alleen voor mij. Hetzelfde met de foto’s : dat vind ik leuk om te doen, zelfs al lukt het me niet goed. Waarom vind ik dat altijd zo erg als het me niet lukt. Waarom zou het me in hemelsnaam altijd moeten lukken ? En zelfs als het lukt, weet ik nog niet of het “goed” is, maar als ik het al mooi vind, is dat al meer dan genoeg.

De salamander

Begin. Begin weer, vanuit het niets. Denk niet aan de overbrugde tijd. Hou het in je achterhoofd: het is zoals fietsen, zoals zwemmen. Je verleert het niet. Dus begin. Onvast, twijfelend, zoekend.
Maar al na die eerste aanzet stroomt het weer. Al na het nemen van de beslissing is de zin er, ben je weer vertrokken. Eindelijk.
En als je eindelijk vertrokken bent, denk je ook onmiddelijk waarom je er nu zo lang over gedaan hebt om weer te willen, kunnen, durven beginnen.
In plaats van te genieten, en trots te zijn, is er weer die ingebouwde drang om jezelf te verkleinen. Vanwaar komt die ? Mijn therapeut, zo ik er een zou hebben, of eerder, kunnen houden, zou er wel weer zo’n volslagen zinloze verklaring voor hebben. Iets uit mijn jeugd ofzo. Ze zeggen toch allemaal hetzelfde. Daar ben ik toch niets mee. Dat maakt me altijd razend. Vanbinnen. Ik toon niks. Ik knik, en kom nooit meer terug. Dat zal ze leren. Of misschien zouden ze trots op me zijn, dat ik het zo lang kon onderdrukken.

Ik zit in een klein hotelletje, in een klein onbestemd Italiaans plaatsje. Ik ben hier omdat ik eindelijk weer een nieuwe opdracht heb aangenomen. De vorige opdracht was, ondanks het schijnbare succes, voor mij uitgelopen op een fiasco. Een fiasco, omdat ik zoveel verdiend had, dat ik even niets hoefde te doen. Waardoor na een tijdje de twijfel bij mezelf binnen kwam gekropen. Kon ik het nog wel ? Maar als plots de nood weer daar is (lees: het geld was opgeraakt), dan moet ik wel weer. Ik kan niet anders.

Ik warm mezelf aan de ochtendzon, en drink een kop koffie. Plots wordt mijn aandacht getrokken door een beweging, iets op de ommuring van het hotel. Ik zoek, en dan zie ik de bekende bewegingen van een salamander, die uit één van de talloze spleten is gekropen, en ook een warm plekje zoekt. Wat een mooi, klein diertje. Schichtig. Koudbloedig. Snel. Ik kijk hem na. Het is pas na een tijdje dat ik besef dat ik dit herken. Dit gevoel. Een soort bewondering. Of deze ervaring herken. Déja-vu. Dit kijken naar zo’n diertje. En plots herinner ik me, hoe ik als kind op een van de zeldzame verloven, we een klein hutje in de bergen hadden gehuurd, waar het barstte van de salamanders. Mooi, kleine, prachtige, schichtige, maar ook angstaanjagende beestjes. En wat doet een jongen zoals ik dan ? Die gaat op onderzoek uit. Probeert zijn angst te overwinnen. Ik wou zien vanwaar die beestjes kwamen. Dus toen ze allemaal onder een grote steen kropen, probeerde ik die op te heffen. Daaronder ontdekte ik een krioelend nest, salamanders die plots alle kanten oprennen, en trok angstig mijn handen weg. De steen viel. De angst won. Maar het was niet de angst, maar de steen die won. Want toen ik even later weer onder de steen keek, waren ze dood. Verpletterd. Tot moes herleid. Eentje had nog kunnen wegrennen, maar zonder staart.
Dat beeld weer in mijn hoofd zien, deed me even glimlachen. Mijn eerste moord. Het maakte me nog vastberadener. Dit maakte deel uit van een plan. Ik kon het onderdrukken wat ik wou, ik moest zo zijn. Schichtig. Koudbloedig. Snel. Ik knikte vriendelijk naar een meisje, ze knikte terug. Ik moest een goede, vriendelijke indruk nalaten. De automatismen keerden allemaal terug. Een begin.
Zij zocht haar eigen tafeltje uit, en ik keerde me, schijnbaar, weer naar mijn boek. Maar boven de rand van mijn boek, zocht ik weer naar de salamander op de muur. Op de een of andere manier voelde ik me verbonden. Bevestigd.

Als je terugkijkt naar die momenten van inkeer, lijkt het zo vanzelfsprekend, maar op dat eigenste moment leek het meer op een angstaanval. Het zweet brak me uit. Schichtig, koudbloedig en snel als een salamander. Maar dus evengoed zo geplet door de eerste de beste die mijn steen zou opheffen, waaronder ik me verschool. Ik voelde hoe ik plots overmand werd door emoties. Emoties die ik zo lang had kunnen onderdrukken. Plots voelde ik wat ik als kind had gevoeld toen ik het resultaat van mijn onhandigheid of angst ontdekte, en het had niets met trots te maken. Plots voelde ik weer hoe ik was, en het had niets met koudbloedig te maken. Ik was in dit beroep gerold, kleine criminaliteit, van de verkeerde gestolen, voor wie ik dan moest beginnen werken om mijn schuld in te lossen. En ik bleek goed te zijn.
Maar ik was geen salamander, ik wilde noch pletten of geplet worden. Niet meer.
Of was ik toch een salamander, en was mijn eigen, warme ik al lang geleden geplet.

Niet de kleine dingen

Soms denk ik : ik wil terug meer schrijven. Maar tegelijkertijd wil ik op geen enkele manier terug naar dat leven, waar dat schrijven zo broodnodig en noodzakelijk voor me was. Schrijven uit frustratie.
Ik sta regelmatig stil, en overpeins, overkijk mijn leven. Ik merk dan, zeer tot mijn verbazing, hoe goed alles voelt. Dat ik geen twijfels, vragen, zorgen heb. Toch niet over de grote dingen. Dat het steeds de kleine dingen maar zijn, waar ik me aan erger : het regent weer, waar is de zomer, de trein is te laat, waar is mijn t-shirt, waarom is de chocolade-pudding altijd het eerste op, waarom vergeet ik altijd mijn lenzen uit te doen, op welke bladzijde was ik weer in het boek, waarom gaat mijn computer stuk, staat die achterband nog hard genoeg, moet ik al gaan tanken of lukt het nog net, moet ik geld afhalen, wanneer moeten we weer naar de winkel, waarom vergeet ik ook altijd alles, ik weet dat ik iets vergeten ben, maar niet wat, waarom kijkt die man zo naar me, moet ik hem herkennen, heb ik iets verkeerds aan, enfin dat gaat zo maar door.

Ik sta stil, en kijk naar een fris kabbelend beekje, in het bos, waar de onverbiddelijke zon getemperd wordt door het bladerdak. Het geluid van het water maakt me rustig. Soms hoor ik de wind door de bladeren. Ik hoor vogels vrolijk kwetteren. Ik kijk naar het water, en ik word, ik ben de stroom. Ik ga naar beneden, zo snel als de helling, als de bedding me toelaat, zonder vrees, zonder angst, alleen de wetenschap dat ik uiteindelijk ergens in de zee terecht kom. Leid me, ik laat los. Ik zie de steen, waar het water omheen geduwd wordt. De steen is onverbiddelijk. Ik ben de steen. Ik ken mijn plaats. Hier. Ik wil nergens anders zijn. Maar ik ben ook het water, geen obstakel is me te groot, ik beuk me niet te pletter, maar ga eromheen. Ik zie de vlinder die neerstrijkt in de zon op de steen. Ik ben de vlinder. Ik geniet van de zon. Ik geniet van de plek. Ik geniet nu. Ik zie hoe de vlinder weer wegvliegt.

Ik ben een man die toekijkt. Die leeft. Tevreden. Ik word niet gedreven door allerlei ambities. Ik heb geen dingen die ik allemaal nog wil bereiken. Ik heb nog een aantal dromen, ontelbare dingen die ik ooit wel eens wil doen. Maar het belangrijkste, dat is er. Dat wil ik in stand houden. En ik wil groeien, en leren. Samen met haar. Er is nog zoveel te leren.

Als ik zeg dat ik meer dan tevreden ben als ik de status quo kan behouden, is dat dan stilstaan ? Stilstaan is achteruitgang, zegt men altijd. Tegelijkertijd zoek ik nieuwe dingen. Nieuwe boeken. Nieuwe muziek. Nieuwe impulsen. Maar heb ik nood aan een voldoende vaste basis in mijn leven. Een thuishaven. Een rustpunt. Een ijkpunt. Ik wil groeien, en haar ook de ruimte geven om te groeien. De rust. De basis. Ik wil haar potgrond zijn. Vochtig, voedzaam, voedingsrijk. Sexy is er niets tegen. Zij geeft me de ruimte, het inzicht, het vuur , de liefde. Zij is mijn spiegel, klankbord, inspiratie. Het woord potgrond schiet me te binnen, maar het komt niet eens in de buurt. Het woord melig schiet me te binnen, maar ik kan het niet helpen.

De verteller

“Vertel. Vertel iets,” zei ze. Ze hield haar ogen gesloten. Ze bewoog amper, ik kon ze amper zien ademen. Ze verbeet de pijn. Zelfs spreken kostte haar moeite, ze fluisterde zo stil dat ik bijna vlak boven haar mond moest hangen om het te horen. Iets vertellen ? Ik aarzelde, reageerde niet direct. Zo draaide ze de rollen om.
“Vertel iets. Of teken. Teken iets. Toon me iets. Verstrooi me. Nu. Met iets moois. Iets van vroeger. Of kortgeleden. Voor je me echt moet verstrooien, straks.”
Ik kreeg een brok in mijn keel.
“Vertel iets. Iets van ons. Iets leuks. Iets om te onthouden. Om mee te nemen.”
Okee, zei ik. En ademde diep in, dacht even na. Ik nam haar hand, en kneep erin, en als ik mijn grip weer loste voelde ik hoe ze met het beetje kracht dat ze had, terugkneep. Ik begon te vertellen. Heel erg moeilijk was het niet. De woorden rolden als vanzelf uit mijn mond. Gedeelde herinneringen, gedeelde momenten. Of toch die illusie. Waarom zou ik haar die ontnemen ?

Toen ik haar voor de eerste keer zag, was ik op zoek naar de kamer van mijn vriendin, en had me weer vergist. Iets met getallen en onthouden dat steeds maar misloopt. Mijn vriendin had kamer 161 en zij lag in kamer 116. Dezelfde verdieping, een heel andere gang, ik had het moeten weten, maar ik was te ongerust, te gespannen, te gehaast. Toen ik de kamer binnenging, herkende ze me. Of leek me te herkennen. Ik probeerde me snel te verontschuldigen, uit de voeten te maken, maar op de een of andere manier kon dat pas nadat ik had beloofd om terug te komen. En ik was teruggekomen. Telkens ik mijn vriendin bezocht, ging ik ook bij haar langs. Zij vertelde vooral. Ze was blij om “hem” te zien, de “hem” waarvoor ze mij aanzag. En ik ? Ik voelde me op de een of andere manier thuis. Denk ik. Het leek haar oprecht goed te doen me te zien. Het verstrooide mij ook. Ik deed goed zonder moeite. Het leek onschuldig.
Mijn vrouw herstelde sneller dan verwacht, en ik wijtte dat aan een soort karma dat ik had verdiend en terugbetaald kreeg. En als beloning bleef ik naar haar gaan. Zij bleef vertellen. Dus toen ze, een paar weken later, zo zwak werd dat ze amper nog kon spreken, me vroeg om haar dingen te vertellen, deed ik dat, en herhaalde de dingen die ze mij had gezegd. En ik zag hoe ze moest glimlachen.

Toen ik de volgende dag, tijdens de middagpauze, zoals elke dag, weer naar haar ging, was ze er niet meer. Toen pas voelde ik hoeveel ik zelf aan haar had gehad. Ik wist niet voor wie ze me net had aanzien, was ik de buurjongen, de zoon, de minnaar? Ik weet alleen hoe ze me genoemd had: “Jef”. Ik weet niet of die iemand even oud was als ik, of dat ik leek op iemand van lang geleden. Ik weet nog hoe blij ze was, die herkenning, toen ze me voor het eerst zag. En hoe me dat deed voelen. Alsof ik echt graag gezien was. Alsof ik echt emotie kon teweeg brengen bij iemand. Dat was lang geleden.

En ik weet nog dat ik dacht dat dat het einde was, maar het was het begin.

Gevallen

Een man kijkt in de spiegel. Niet ’s morgens. ’s Morgens ziet hij nooit zichzelf in de spiegel. De ochtend is mechanisch, op de automatisch piloot raffelt hij alle taken af. Wassen, scheren, plassen, aankleden, boterhammen smeren. Tijdsdruk. Op tijd de deur uit, de trein halen.
Maar ergens in de loop van de dag, op het werk, staat hij in het toilet de handen te wassen, en ziet zichzelf in de spiegel. Schrikt. Hij staat aan de koffieautomaat te wachten, en kijkend naar niets, plots zichzelf weerspiegeld vinden in het kleine lcd-scherm. Hij staart met de kop koffie in de hand naar buiten, en terwijl zijn gedachten wegdrijven met de wolken, komt zijn eigen weerspiegeling weer in beeld. Steeds maar probeert hij zo snel mogelijk weer weg te kijken, niet op zichzelf te letten. Zichzelf wegcijferen, voor zichzelf. Waar is hij bang voor ? Dat hij meer ziet van zichzelf dan hij wil laten zien. Hij hoeft het niet te zien om het te weten, maar elke gevangen blik drukt hem weer op de feiten die hij zo gaarne tracht te ontkennen.
Hij is niet meer wie hij was, of beter, niet meer wie hij dacht hij was. Zijn beeld van zichzelf is veranderd, bijgesteld. Niet beter, niet slechter, maar korter bij wie hij echt is. Maar het voelt slechter. Het voelt als een kant waar hij niet mee weg kan komen. Een zwakheid. Een onvermogen. En moet hij het nu wegsteken ? Onderkennen ? Hij gaat op zoek naar redenen en oorzaken, maar sommige dingen kan je misschien niet verklaren. Hij is op zoek naar remedies en oplossingen, maar sommige dingen kan je misschien niet veranderen.

Zijn hand begint te trillen, en hij morst koffie. Hij kijkt ernaar, hij ziet het gebeuren, maar kan er niets aan doen. Hij weet niet wat hij moet doen, kan doen, zijn geest lijkt helemaal leeg. Zijn hand verliest de grip, en hij ziet hoe de beker uit zijn vingers glijdt, waardoor de beker kantelt, de koffie gedeeltelijk eruit gutst. Even lijkt hij lichte paniek te voelen, dat de koffie op zijn broek zou landen, en dat hij het niet zou kunnen ontwijken. De koffie valt nog steeds, de beker draait helemaal om, en gelukkig van zich weg, en maakt een grote vlek voor hem op de grond.

De koffiekamer is verlaten, iedereen is hard aan het werk behalve hij. Niemand heeft iets gemerkt. Gelukkig. Als hij even later alle restanten weer verwijderd heeft, en er een nieuwe, dampende kop koffie op een tafeltje staat, hervindt hij zijn weerkaatsing in het glas. En kijkt niet meer weg.

Verstikkend

Dit gevoel past niet. Ik mag het niet voelen. Maar ik voel het toch. En tegelijkertijd voel ik ook de liefde voor jou, die er al van in het begin is. Als het eerste wezen dat me aangeraakt heeft, dat me liefkoosde, dat ik zag. Die liefde, geindoctrineerd, kan nooit meer weg. En toch.
Ik weet dat je me graag ziet, me graag helpt, steunt, bijstaat. Ik weet dat je dol bent op mijn dochter. Maar tegelijkertijd lijk je gekwetst als ik je steun, je hulp, niet nodig blijk te hebben. Als het goed met me gaat. Als ik een nieuwe liefde gevonden heb. Op de één of andere manier heb je je oordeel altijd klaar, en kan je in iedereen wel iets negatiefs ontdekken, en bezit je de kunst door eindeloze herhaling en theatrale overdrijving dat op te blazen tot iets onoverkomelijks. Je maakt van elke ontmoeting een strijd, nog voor er een ontmoeting is. Ik krijg steeds het gevoel dat ik al mijn zelf gemaakte beslissingen moet verdedigen, en verdedigen, en verdedigen, tot ik het opgeef. Tot je overwint. Tot je me weer in je armen kan sluiten, en me nog net niet jubelend kan toefluisteren dat je het allemaal wel wist, dat je het had zien aankomen, dat je weeral gelijk had, dat zij weeral niet goed voor mij was. Terwijl het net andersom is. Jij blijft denken dat jij de enige bent die mij gelukkig kan maken, in dit leven, en dat alle anderen niks minder dan schampere plaatsvervangers kunnen zijn, want zij hebben mij niet in hun buik gehad, zij hebben mij geen negen maand gedragen. Zou er ooit iemand kunnen komen die jouw goedkeuring kan wegdragen ? Zou je iemand ooit de kans kunnen geven, zonder vooringenomenheid.

Vijfendertig jaar, en ondanks jouw opvoeding, ondanks jouw kennis van mij, vertrouw je me nog steeds niet ? Ik zal mijn leven niet opzettelijk verzieken, ik ben slim genoeg om te zien of vrouwen mij misbruiken, van mij profiteren, of ze mij willen veranderen of niet. En misschien wil ik wel veranderen ? Ooit daaraan gedacht, moeder ? Ik wil niet stilstaan. Ik wil vooruit. Ik wil een partner. Als ik niemand heb, ben je lief, en meelevend, en zeg je te hopen dat ik iemand zal vinden. Maar steeds als ik iemand vind, zie je alleen maar de gebreken, ben je niet in staat om me mijn geluk te gunnen, om mijn geluk te delen, om blij te zijn voor mij. Je bent alleen maar bang. Je zegt dat je bezorgd bent om mij, niets meer. Dat dat toch mag ? Dat je dat toch moet kunnen uiten, zeggen, uitspreken ? Maar waarom spreek je niet uit dat je blij bent voor mij, dat je hoopt dat ik gelukkig ben, en zal worden.
Het enige dat je doet is negativiteit spuien, het enige dat je doet is me wegjagen. Derde keer, goede keer. Gaat het je dit keer lukken ? Gaat het me dit keer lukken om je te doen inzien wat je doet ? Ik herken nu zelf het patroon. Het gaat je deze keer niet lukken om mijn plezier te verzieken. Ik wil een oplossing. Ik wil geen confrontatie. Ik hoef me niet te verantwoorden. Zij hoeft zich niet te verantwoorden tegenover jou. Wij doen ons ding, samen. Wij doen dat goed. Wij genieten daarvan. Wij zijn groot en wijs genoeg.

Ik zou je daar erg graag in betrekken, mama, ik zou je erg graag tonen hoe graag ik nu gezien wordt, hoe graag ik haar zie, en hoe dat geen invloed heeft op mijn liefde voor jou. Die blijft, mama, zelfs al blijf je zo doen. Zelfs al zie ik je niet zoveel meer als voorheen. Zelfs al vraag ik je minder om raad. Maar mama, jaag me niet weg. Want ik weet niet goed hoe ik dit moet aanpakken. Ik wil geen ruzie met je maken. Je weet dat ik dat niet goed kan. Ik vermijd confrontaties. Ik ga die uit de weg. Ik ontvlucht die. Doe me niet kiezen. Want ik kies voor haar.

Toen mijn dochter ter aarde kwam, vreesde de dokter dat de navelstreng rond haar hals zat, en was zij heel voorzichtig bij de bevalling, zodat ze niet gewurgd zou worden. Die bevalling is goed verlopen. Nu alleen mijn eigen navelstreng nog.

Magic Man (Oscar van den Boogaard)

Bruno keert na de dood van zijn vriend, Max, terug naar zijn ouderlijk huis. Dat is geen huis, maar een hotel. Een hotel moet het gevoel van een thuis geven aan eenieder die er komt logeren. Hijzelf heeft een kamer, die verhuurd wordt aan anderen als de vraag er is. In het hotel is alles weer zoals voor zijn vertrek. Zijn broer is gescheiden, en woont weer thuis. Zijn vader woont weer bij zijn moeder, sinds ze dement is, om haar te verzorgen. Alleen heeft hij zijn nieuwe dochter, Sarah, ook meegenomen. Zij is nieuw.
Na de dood van Max zoekt Bruno een rustpunt, voor al zijn vragen, en een nieuw vertrekpunt. Bruno wil ten volle voor het leven gaan, hij wil vluchten van die dood, hij wil voelen, be-leven, genieten. Dat leven vindt hij bij de bezoekers van het hotel. Dat leven wil hij scheppen. Dat leven vindt hij bij een vrouw. Hij, die altijd dacht een man voor de mannen te zijn, vindt nu de liefde bij een vrouw. En vooral een nieuw leven. Alleen de rechercheur, die de dood van Max onderzoekt, kan nog roet in het eten komen werpen.

Ik lees Oscar zeer graag, vooral zijn gevoeligheid in de dingen die hij schrijft, observeert, vat. Hij noemt zichzelf super-existentialistisch, en voor de zekerheid heb ik maar even opgezocht wat dat ongeveer moet inhouden.

Een paar gemeenschappelijke punten van alle existentialisten zijn [bron] :

- existentialisten zijn bezig met hoe je je leven moet leiden, en vinden dat filosofisch en psychologisch (zelf)onderzoek daarbij helpen
- existentialisten denken dat er bepaalde vragen in je leven zijn waar je mee bezig moet zijn, die fundamenteel zijn (existentialistisch). Zaken zoals dood, “waarom” we leven, de betekenis van ons eigen bestaan, de betekenis van God, relaties, …
- existentialisten denken dat je zelf grotendeels verantwoordelijk bent voor je leven, dat je je leven vooral in daden moet leven, en niet in woorden

Daar leid ik uit af dat voor existentialisten het leven alleen in het nu zit, dat er niet noodzakelijk een God is, maar dat je er wel over moet nadenken. Het nadenken als daad. Het existentialisme gaat om een soort bewust zijn van je (of het) leven. Denk ik dan.

Bruno is in dit boek bezig met alle levensvragen, en formuleert ook zijn eigen antwoord. Hij weet alleen niet of het het goede antwoord is.

Ik vond dit boek ook heel erg mannelijk, en ik denk vooral door de seks die erg prominent aanwezig is. De dadendrang. De levenslust, die alleen beleefd kan worden door de seks ? Wat natuurlijk enerzijds herkenbaar is, maar tegelijkertijd ook erg beperkend werkt. Maar misschien ook daar is dat slechts Bruno’s tijdelijke antwoord op zijn vragen. En alleen door de seks, door leven te scheppen, kan hij even het gevoel hebben de dood te overstijgen.

Zo laat dit boek me na afloop een beetje verweesd, ontredderd achter. Omdat er geen echt einde is. Omdat er geen echt antwoord is. Omdat er alleen maar vragen achterblijven. Maar misschien is ook dat het existentialisme ten top.

De boekpresentatie was erg interessant en leerrijk omdat er een glimp gegund werd achter de schermen. Oscar, die een deel van zijn creatieve proces blootgaf. De muziek die een aanzet bleek te geven. Het samen schrijven met zijn vrienden op reis. De redactrice die prijsgaf dat Bruno pas in een erg laat stadium bij het schrijven, suikerziekte kreeg. Wat verandert dat voor een personage ? Het maakt hem kwetsbaarder, menselijker ? De schrijver die als een God kan beslissen over het leven van zijn personages, en die het pas laat in het creatieve proces over zijn hart kan krijgen dat zijn personage toch enige imperfectie moet hebben. Of misschien was de imperfectie steeds impliciet, en rees er plots de behoefte dat te expliciteren. Ze voegde er ook nog aan toe dat dit boek ons zou veranderen, maar dat is misschien wel heel erg hoog gegrepen. Het doet me alleszins nadenken.

Vers brood

Niets te vertellen. Veel te vertellen. Gelukzalig staar ik voor me uit. Het scherm voorbij. Het blad voorbij. Het raam voorbij. Tot bij haar. Ergens diep in mijn geest is zij altijd bij mij. Gewoon op het werk zitten lijkt nu nog stommer, ik kan alleen maar aan haar denken. Maar dat kan natuurlijk ook altijd iets met de aard van het werk zelf te maken hebben.

Het loopt. Mijn leven. Op wieltjes. Gewoon vanzelf. Ik stuur af en toe een beetje bij. Ik heb een tijdje steeds in eenzelfde kringetje gereden, want dat was veilig, gemakkelijk, vertrouwd. Plots is er iemand in mijn karretje gesprongen, of zijn we samen in een nieuw karretje gesprongen, of zijn onze karretjes aan mekaar gehaakt. Ik weet niet welke metafoor het meest toepasselijk is. Maar ineens zit ik op een heel ander spoor. Ik laat me niet meer leiden door angst, of enige behoudszin, of de angst de controle te verliezen. Alleszins minder. Controle is een illusie. Ik probeer enkel open, aandachtig en attent te zijn en te genieten.

Als ik op het werk zit, als ik op de trein zit, als ik mijn mooie gsm vastneem, als ik mijn huis zie, als ik mijn dochter zie, als ik haar zie, kan ik alleen maar bevestigend knikken. Ja, het leven is mooi. Mijn leven is mooi.
Als ik rondkijk naar de andere mensen, hoop ik dat ze het evengoed getroffen hebben als ik. Sommigen beter, sommigen slechter, maar ik hoop alleszins dat ze ervan kunnen genieten, van de mooie dingen die ze hebben.

Deze morgen om zeven uur constateerde ik dat er geen brood meer was, of alleszins niet meer genoeg. Niet alles zo negatief constateren, mijnheer Van der Auwera. Een beetje is nog altijd meer als niets. Maar voor het eerst sinds lang vond ik ergens de drive om op dat ontiegelijke ochtendlijke uur naar de bakker te gaan, en een lekker versgebakken krokant brood te halen. En daarna zelfs af te wassen, mag ik dat erbij vertellen?

Ik heb heerlijk absurd gedroomd. En bewust. Te gek voor woorden. Lekker geslapen, naast haar.

Daarenboven dient er zich een nieuwe professionele uitdaging aan. Ik heb er niet naar gezocht. Maar eindelijk eentje waar ik het niveau van de code-klopper wat kan overstijgen. Dat niveau waar ik het voorbije jaar jammer genoeg in vast leek te komen zitten, als in een poel zuigende modder. En nu lijk ik er nog uit weg te komen, met behoud van mijn schoenen.

Ik heb Oscar van den Boogaard ontmoet, en hij heeft mijn kopie van zijn nieuwe boek gesigneerd. Zijn nieuwe boek is het beste dat ik ooit van hem gelezen heb.

Het is bijna weekend, en ik kijk ernaar uit.

Ik wil, voor altijd. Ik hou, voor altijd. Ik lief, voor altijd. Zo lang het kan. Zo lang het mag. Zo lang mogelijk. Ik wil niet meer zonder haar.

Donderdag

Ik ben er helemaal niet bij. Ik kan me niet goed focussen. Waarom niet ? En waarom rijdt de trein niet zoals het hoort ? Waarom wordt die nu weer ineens afgeschaft. En weer op een donderdag? Weer een uur wachten. Wat is er speciaal aan een donderdag ? Denk. Denk. Probeer je te focussen. Vergeet even die zalige nacht van gisteren. Vergeet even hoe zalig ze voelde. Hoe spannend zij was, de dingen die ze deed, hoe lekker het was. Weersta die drang om weer direct rechtsomkeer te maken. Je moet nog naar het werk. Focus. Denk aan iets anders. Donderdag. Bijna weekend. Waarom zou een trein afgeschaft worden ? Een ongeluk ? Een zelfmoord ? Waarom op donderdag ? Ik denk aan net voorbij het midden van de week, maar nog te ver van het weekend om daar de verlichting van te kunnen zien. Of het nakende weekend is net iets dreigends, de mogelijke sociale contacten, of druk, of net het gebrek eraan. Ik denk aan de deprimerende invloed van een wekelijkse markt op donderdag in een klein gehuchtje, die iemand misschien al jaren moet trotseren, en die elke week maar weer je stilstand en je falen bevestigt. Toen hij jong was, kon hij dromen of hopen dat hij daar nog weg kon geraken, maar zoveel jaren later zit hij er nog, heeft de zaak van zijn vader overgenomen, en ergert zich nog steeds aan dezelfde dingen. Of is dat net niets wat sommige mensen een soort houvast en veiligheid geeft ?

Een smsje. Van haar. Een grote glimlach vormt zich om mijn lippen als ik het lees. Oh. Wat ben ik toch een geluksvogel.

Maar waarom wordt de trein nu afgeschaft, en is het toeval of niet dat het op een donderdag is. Jammer dat je zo weinig informatie krijgt, in zo’n geval. De treinchauffeur was plots ziek geworden. Of de conductrice had wel erg overtuigende argumenten om het vertrek nog een uurtje uit te stellen. En de chauffeur die nog had moeten invallen, had ze ook kunnen overtuigen. Moeilijk, maar ze had al haar troeven in de strijd gegooid.

Als een trein over een mens zou rijden, over iemand die zich voor de trein zou werpen, zou je dat dan voelen ? Zou de trein gewoon stoppen, zonder dat je iets speciaals merkt, en zouden ze de reizigers daarvan dan verwittigen ? Rijdt de trein dan even later door, of niet ? Is het schering en inslag of niet ? Ik heb ooit gehoord dat zeven mensen per dag zelfmoord plegen in Belgie. Zeven ? Dat is niet slecht. Ik vraag me dan soms af hoe het komt dat we nog steeds met zoveel zijn. Soms denk ik dat ik het wel leuker zou vinden als we met wat minder zouden zijn, maar misschien is dat erg egoistisch.

Hoeveel mensen plegen er zelfmoord door voor een trein te springen? En zouden sommige lijnen populairder zijn dan andere ? Zou een zelfmoordenaar liever voor de TGV springen ? Die trein rijdt nog sneller en zal minder snel kunnen stoppen, dus de kans op succes lijkt groter. Ik heb ooit gehoord van een man die graag zelfmoord wilde plegen, en op de rails was gaan liggen, en dan op de trein ging liggen wachten. Zou een treinchauffeur je dan zien liggen ? Wat zou er door het hoofd van de chauffeur gaan ? Kom je aan met 300 ton bewegende massa, zie je dat je zou moeten remmen, stoppen, maar dat fysisch gewoon onmogelijk is, en dus zie je het aankomen, en kan je eigenlijk niets doen. Wat is het humaanst ? Een man die dood wil, die kans ontnemen of geven. Of is het humaan als je dood wil, iemand erbij te betrekken tegen zijn zin ?
Als ik met de auto een kind overrij doordat het plots tussen twee auto’s tevoorschijn springt, zal ik me dan schuldig voelen of niet ? Had ik het moeten zien aankomen, had ik beter en sneller moeten reageren ? Hoeveel zelfmoordenaars kan een treinchauffeur aan. Ik heb ooit gelezen dat na zeven ze automatisch in de ziektewet vallen. Welke chauffeur houdt het vol tot die zeven ? Kan je er zo zeven in een dag hebben, dan heb je ineens het hele nationale gemiddelde helpen tot stand komen. En als het op je eerste dag is dat je werkt, heb je op één dag plots je hele levensinkomen verzekerd. Is dat dan zoiets waardoor je zou willen zelfmoord plegen, of zou je daarvan kunnen genieten ?

De trein reed over de man die was gaan liggen, en amputeerde zijn armen en benen, en verminkte die man voor het leven. En die man kon nu ook voor de rest van zijn leven geen zelfmoord meer plegen, zonder hulp, zelfs al wilde hij het nog zo. Wie weet hoe zijn leven was. Hoe uitzichtloos, en dan wil je eruit. Dan overkomt je dat.

De trein rijdt nu door mijn geboortedorp. Donderdag. Markt. Deprimerend, maar ik woon er allang niet meer. Vlak voor we het dorp verlaten, zie ik dat de frituur aan het station, een piepklein huisje naast het café, er niet meer is. Het café is hetzelfde, het plein ook, maar dat kleine huisje is nu knaloranje, en bovenop prijkt een groot beeld, een mannelijke naakte torso. Eronder staat in het groot : “Tattoo”. Een tattoo-shop in mijn kleinburgerlijke, christelijke boerendorp ? Het leven blijft vol verrassingen. Gelukkig maar.