Dit weekend was ik met mijn dochter naar de Nekker geweest, het provinciale domein in Mechelen. Het was zalig weer, en ik wilde de verkoeling van het water opzoeken. Ik ga altijd het liefste naar de zee, maar soms kies je voor het gemakkelijke en het praktische. Dus het kortste bij. We waren iets later, dus was het ook iets rustiger. Net wat ik leuk vind. Maar het strand, als je dat lapje zand aan het meer zo mag noemen, lag vol met wat een horde bezoekers op een dag aan afval allemaal achterlaat. Daar kan ik me zo aan ergeren. Het voelt als een totaal gebrek aan respect. Voor de mensen die na jou komen. Voor de natuur. Maar dat kennen we al. Ik onderdruk een neiging om alles op te rapen dat ik tegenkom, en zoek een ietwat proper en rustig plekje om ons te installeren.
Ik zie jongeren die zich lijken te amuseren met een houten boot, een soort grote kano of kleine sloep, door er op een wel heel erg vreemde manier mee te varen. Ze schreeuwen en doen. Ze peddelen met de handen naar een groep. Dan komt er een speedboat achter hen aan, de bestuurder, een jonge kerel die een medewerker van het domein lijkt te zijn, zegt iets. Hij gebaart de boot terug te geven. De groep begint te joelen. De speedboat vertrekt en even later komt hij terug, met een extra inzittende ditmaal. Dat lijkt logisch. Eentje houdt de boot vast, en de andere bestuurt de speedboat. Denk ik. Maar even later moeten ze weer onverrichterzake vertrekken.
Plots horen we gejoel van achter ons, en op het grasveld iets verder dromt een hele menigte samen, en ineens rennen alle jongelui, van allerlei origine, erheen, om te gaan kijken, nieuwsgierig. Zo’n gejoel klinkt als vechten. Ik rek me volledig uit, en zie veel beweging, en tot mijn geruststelling ook twee politieagenten op een fiets. Het strand is rustiger zo, nog beter … Mijn dochter en ik gaan met een balletje spelen.
Als de jongelui terugkomen, vraagt een meisje een jongen om de voetbal waarmee hij speelt. Ik meen te begrijpen dat het haar bal is, of die van haar kleine broertje. Maar de jongen, sportief, een jaar of zeventien, achttien, doet erg neerbuigend. Agressief. Doet alsof hij de bal naar haar wilt schoppen. Hij gooit met zand, en jaagt haar zo in het water. Hij blijft aan de kant. Dan schopt hij de bal in het water, ver, en gebiedt haar om de bal te gaan halen. Zij twijfelt. Zij wil niet toegeven. Hij begint haar te bevelen als een hond : “apport”. Mijn dochter en ik staan vlakbij, aan de vloedlijn te spelen, en ik volg vanuit mijn ooghoeken het hele gebeuren. Ik hou me afzijdig. Tot hij met zand en flessen begint te gooien, naar het meisje, en mij zo doende ook onder de modder besmeurt. Ik draai me om, en zie hem bezig. Een vriend van hem is naast hem komen staan, en doet niet echt mee, maar lacht toch besmuikt mee. Ik kan me niet meer inhouden, en wil dat hij daarmee stopt. Dat hij zich verantwoordt. Dat hij uitlegt waarom hij denkt dat zulk gedrag enigszins goed te praten is. Dus ik roep “hey!”, en vraag of dat allemaal nodig is wat hij doet. Zij kijken ietwat verbaasd naar elkaar, geamuseerd, wie ben ik ook, en doen alsof ze me niet verstaan, natuurlijk. Dan komt er een soort gebaar of blik, die duidelijk maakt dat ik me beter met mijn eigen zaken kan moeien. Als rasechte conflict-vermijder, gevoed door een aangeboren gebrek aan moed, draai ik me om, en wijd mijn aandacht weer aan mijn dochter. Ik hou mezelf voor dat ik heb gedaan wat ik kon. De jongens laten het meisje toch achter, en vervoegen iets verder een groep jongeren. Ze lijken allemaal ongeveer even oud. Het meisje volgt hen iets later. Dus ze kennen mekaar zeker. Is het een familie, een groep vrienden ? Daar zie ik weer dat de jongen haar blijft lastigvallen. Haar zelfs slaat. Een ander meisje komt ertussen. Lijkt het voor haar op te nemen, of tijd te kopen, maar verbroedert dan toch met hem. Ik denk om zichzelf weer veilig te stellen. Rare vrienden. Ik kan me niet op meer op ons spel concentreren, en wil weer gaan zitten.
Als ik zit, zie ik vijf andere jongens voetballen, blijkbaar van dezelfde groep. Plots neemt één ervan een andere vast, en slaat erop. Eerst denk ik, hoop ik, dat het spelen is, maar het is te hard om speels te zijn.
Dan zie ik hoe een andere medewerker van het domein twee jongens vraagt om de houten boot mee te slepen. De boot, die nu achtergelaten is door de jongeren, ligt ondersteboven als een dode vis. De peddels zijn stuk.
Ik verdraag deze expositie van testosteron niet meer, en we pakken ons boeltje in.
Bij het buitengaan zie ik vier agenten verdekt opgesteld staan. Twee in flitsend uniform op een fiets, en twee gewone. Ik vraag hen of wat ik zag normaal gedrag is, en zij zeggen iets over “de jeugd van tegenwoordig”, en dat het alleen nog maar erger zal worden. Ik zie dat de agenten op de fiets zelf die jeugd nog maar net ontgroeid zijn. Ik vertel hen over de onmacht die ik voelde, en mijn geruststelling toen ik hun aanwezigheid zag. Maar zij ontkrachten dat vlotjes, dat de meeste jongeren hen net graag uitdagen, en dat ze dus liever uit het zicht blijven. Er rest me niets dan hen veel succes en sterkte te wensen. Ik maak me de bedenking dat ikzelf hier niet snel meer zal terugkomen.
Maar het blijft knagen. Het blijf knagen dat ik hen niet tot de orde kon roepen. Dat ik niet zou weten hoe. Dat er niet zoiets als sociale controle bestaat.
Maar, in een multi-culturele maatschappij, waar eenieder verschillende normen en waarden hanteert, moeten we van een soort relatieve apathie kunnen uitgaan. Namelijk dat we de normen en waarden van de andere kunnen tolereren, zelfs als ze over de eigen grens gaan. Dus een moslim moet kunnen verdragen dat een meisje met de navel bloot en een diep decolleté rondloopt, zonder haar er onmiddellijk en luidkeels van te betichten een hoer te zijn. Ondanks het feit dat zij zijn grens overschrijdt. En tegelijkertijd moet ik ertegen kunnen dat die jongens hun testosteron en energie botvieren op mekaar, en al blij zijn dat het niet op mij is. Toch ? En toch voelt dat verkeerd.
Als ik een groep jongens naar een meisje “slet” of “hoer” hoor roepen, omwille van haar kleding, moeten we daar dan niet iets van kunnen zeggen ? Ik zeg “we”, omdat ik dat liever niet alleen zou doen.
Sociale controle is iets machtigs, en tegenwoordig vrijwel onbestaand. Soms maar gelukkig ook. Ik wil niet op straat aangesproken worden omdat ik een te korte broek aanheb, of een kilt, of witte sokken, of een roze legging. Ik wil kunnen zijn en dragen wat ik wil. Ik kan me voorstellen dat naaktlopen net te ver gaat. Maar van het ogenblik dat ik iemand anders lastigval, zouden we toch voor elkaar moeten kunnen opkomen. Waarom zijn we zo bang ? Waarom ben ik zo bang ?
Paul Cliteur heeft een boek geschreven over een Moreel Esperanto, waarmee hij een soort basis set van morele waarden bedoelt, los van eender welk geloof. Een autonome, niet-religieuze ethiek. Ik kan de naam, de koppeling met het Esperanto, begrijpen. Het Esperanto had tot doel een algemene, gemakkelijke, nieuwe taal te zijn, los van alle andere talen. Maar het Esperanto is jammerlijk gefaald in die doelstelling. Ik weet het, de aanhangers beweren van niet, en ik heb de cijfers ook opgezocht, maar kent u (spreekt u/leest u/schrijft u) Esperanto ? Ik alleszins niet.
In zo’n moreel Esperanto staan dan bijvoorbeeld de 10 geboden, maar los van het geloof. Het “respecteer uw naaste”, wordt dan uitgebreid met “ongeacht zijn geloofsovertuiging of gedrag”. Eén van de voorbeelden die Paul Cliteur vernoemt, is dat een religieuze moord voorbijgaat aan een soort inherente moraliteit in onszelf, en dus dat we daarnaar zouden moeten terugkeren. De religie mag geen excuus of vrijgeleide zijn.
Volgens mij bestaat het probleem natuurlijk ook omdat religie, het concept, de regels, de schrifturen, komen uit een tijd waar heel veel van die regels meer nut hadden dan nu. Ze komen uit een andere realiteit. Het probleem is natuurlijk dat religieuze fundamentalisten steeds terugkeren naar die basis. Die originele regels.
Als ik in de krant lees dat meisjes uit Koerdistan nu eindelijk wel zonder sluier en met make-up mogen lopen, maar als ze te lang naar een ongetrouwde man kijken, of een praatje ermee slaan, ze nog steeds lijfelijk gestraft kunnen worden, dan rijzen mijn haren ten berge. In Noord-Amerika wordt in heel wat staten het “Intelligent Design” onderwezen, een theorie die verkondigt dat de aarde geschapen is op zeven dagen. Onbegrijpelijk.
Spijtig genoeg zitten we met een hele hoop mensen tesamen op een klein plekje, en zoals het nu gaat, weet ik niet goed hoe dat ooit goed kan aflopen. Moeten we ons weer allemaal opsplitsen in groepen van gelijke overtuigingen ? Gettovorming. Alleen met een moreel Esperanto, een gedeelde moraliteit, een gedeelde basis, respect, zou het misschien kunnen. Ik hoop het. Van harte.